Almacht en onmacht

Stel, je bent een jongen van een jaar of 14. Je hebt het goed, woont in een mooi huis, hebt leuke vrienden, mooie spulletjes en bent oogverblindend mooi. De meiden fluisteren je naam als je voorbij komt. Wat wil je nog meer als tiener.

Zoiets moet het leven van Daniël ook zijn geweest. Totdat die vervloekte Babyloniërs hun vernietigende werk doen en hij als krijgsgevangene mee moet naar hun hoofdstad. De almacht van de legers van Nebukadnessar legt de onmacht van het volk van God pijnlijk bloot. Het prinsenleven is voorbij, een onzekere toekomst wacht in een vreemd land met vreemde gewoonten.

Onderweg heeft Daniël veel nagedacht. Dat kan niet anders. De reis is honderden kilometers lang…. Hoe zal het zijn? Wat moet ik doen? Kan ik … zal ik….. ADONAÏ, MIJN HEER, waar bent u!!!

Is de almachtige God onmachtig?

Deze vraag herken je als je weet wat het is om te lijden. Als je de rauwe kant van het leven hebt ontmoet. Ik sprak laatst zo iemand en ik leerde een les. “Het leed van mijn leven ontvang ik liever uit de almacht van mijn God, dan uit zijn onmacht. Die laatste gedachte maakt mij wanhopig. Want als Hij niet in staat was het te voorkomen, kan Hij mij nu dan wel helpen?”

Het kan niet anders, of Daniël heeft onderweg naar Babel deze les geleerd en aanvaard dat Gods hand ook zijn leven naar Babel leidde. “Heer, wat er ook gebeurt, één ding wil ik niet: u kwijtraken in een vreemd land.”